Tot de canon van de Nederlandse literatuur over drukpersvrijheid behoort het Request van de Leidse boekverkopersfirma’s Cornelis van Hoogeveen junior en Van der Eyk & Vijgh. Het is geschreven door hun Leidse collega Elie Luzac.
Aanleiding waren de plannen van de Staten van Holland om de vrijheid van meningsuiting aan banden te leggen. Er moesten in plaatsen waar meer dan vijf boekverkopers actief waren, censors worden aangesteld. Leiden, Rotterdam en Den Haag kregen er drie, Amsterdam kreeg er vijf. Er mocht niets meer worden gepubliceerd dat niet door de censors was goedgekeurd.
Uitgevers konden slechts tegen de plannen in het geweer komen via hun eigen, stedelijke vroedschap. Die alleen kon bij de Staten protesteren tegen het concept-placcaat. En dus werden er in steden als Rotterdam, Amsterdam en Leiden rekwesten opgesteld.
Het Leidse betoog bevat een 133 pagina’s lang pleidooi om de de voorgenomen censuur tegen te gaan. Eén van de argumenten betreft het onvermogen van censors om te komen tot een objectief oordeel over boeken.:
Sommigen begrypen, dat de lectuur van een Grandison niet dan nuttig en dienstig kan zyn: men zoekt de Kinderen graegte tot leezen te doen krygen met een Robinson Crusoe, met een Païsan Parvenu: men trachtze het verstand levendig te maeken met geestige stukjes van poëzy en met tooneelstukken.
Terwyl nu sommigen die Boeken en Geschriften als nuttig aenpryzen, zyn ‘er wederom anderen, die alle zoodanige werken houden voor schadelyk voor de Jeugd. Daer zyn plaetsen, daer geen Avantures de Robinson Crusoe mag verkoft worden: daar zyn menschen, en zelfs zulken, die men niet kan beschuldigen van dom of onkundig te zyn, welke van oordeel zyn, dat het leezen of leeren van fabels ondienstig zo niet schadelyk is voor de Jeugd.
Daer zyn ‘er die denken, dat de Italiaensche muziek-trant te kort doet aen de verhevene denkbeelden, welke in de fraeije gedichten van de Heeren SCHUTTE, VOET, en ELIKINK den geest tot een deftiger gezang moet opleiden.
Verder gaat het niet alleen om objectiviteit maar vooral om verschillen in inzichten. Wat de een obsceen acht, vindt de ander juist humoristisch of zelfs leerzaam.
Kortom, van de verhevenste werken tot de almanakken en verdere prullen, daer de Knechts en Meiden zich mede ophouden, geen soort is ‘er, of men zal ‘er stof in vinden om te twyfelen, of zy hooren tot de classis van zulke, die door hunnen Obscoenen inhoud geschikt zyn om inbreuk te doen op de goede zeeden en strekken tot bederf der Jeugd of niet: kunnende het woord Obscoen, door een willekeurige interpretatie, naer believen geëxtendeerd worden.
Wendt men wyders het gezicht naer de Printverbeeldingen: hoe veele zyn ‘er, die voor zeer geestig en aertig doch niet voor Obscoen van deezen gehouden worden, welke andere en vooral jonge Dames doen bloozen.
De verliefde Dido op de houtmyt liggende; Cloris, met Roosje dansende, en met de voet haer voorschoot, daer wat boven het midden een roosje opgeschildert staet, opstootende; de vryery van Reinier Adriaensz. en Saertje Jansz; de Kraemkaemer van Troost, daer ‘t snoepachtig weezentje zoo aertig in uitgedrukt is [...]














