Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘poëzie’

In de Leydse courant van 18-1-1768 staat een advertentie van de Veertiendaagsche uitspanningen, schreef Kees v.S. Een onbekend tijdschrift, uitgegeven door Entrop, uit Amsterdam.

Inderdaad, de STCN noch de NCC hebben het in hun bestand. Maar de tekst van de advertentie gaf ook wat uitleg over het blad. Daarin kwam ook het begrip ‘dichtkundige bespiegelingen’ voor. De vondst was daarna snel gedaan.

Het blad kreeg na afronding een titelpagina, titelprent en de nodige drempeldichten mee. En het werd omgedoopt tot de Dicht- en zedekundige zinnebeelden en bespiegelingen. En die zit wel in de STCN-database. En is volledig op internet te bekijken.

Het is geschreven door Johan Pieter Broeckhoff, geboren in Keeken (een piepklein dorpje net over de grens bij Millingen) en als koopman gevestigd in Emmerik. Hij had zijn vrienden in het Amsterdamse piëtistische milieu van Aagje Deken.

Het tijdschrift bestaat telkens uit 8 pagina’s: op de eerste pagina steeds een emblematische prent met bijbelspreuk, gedicht en nog wat uitlegkundig proza. De overige 7 pagina’s 10 strofen waarin de lezer een moralistisch thema wordt bijgebracht. Dat het een tijdschrift is, kun je eigenlijk niet zien. Broeckhoff zegt alleen in de Voorreden dat het stuksgewijze is verschenen.

De beginpagina is ontleend aan de Poot-editie van Ripa: Het groot natuur- en zedekundigh werelttoneel of woordenboek van meer dan 1200 aeloude Egiptische, Grieksche en Romeinsche zinnebeelden of beeldenspraeck (1743). Desondanks schrijft Broeckhoff:

Ik heb echter nooit, op eene verbodene wyze, de Sikkel in den vollen Oogst myner voortreflyke Voorgangeren geslaagen.

hoewel er her en der wel een halmpje van een ander in zijn hand is blijven liggen.

Fraaie manier om uit te drukken dat je geen plagiaat hebt gepleegd.

Advertenties

Read Full Post »

recensie Costers MengelpoezyDe dichtende organist uit Leiden, Herman Coster, had in 1779 zijn bundel Mengelpoëzij bij zijn vriendje Cees Heyligert doen uitgeven. Met die bundel oogstte hij nogal wat kritiek.

Die kritiek blijkt overduidelijk uit bovenstaande recensie. De variëteit in de bundel was te groot. De dichter zwalkte en slingerde toen hij uit zijn stapel gedichten een selectie maakte. Hij had in de bundel te veel droefenis en introspectie gecombineerd met dichterlijke grappen en grollen.

Coster wist op voorhand dat er op de dichterlijke mengeling kritiek zou komen. In het voorwoord van zijn Mengelpoëzij schrijft hij:

Misschien zal de inhoud van mijn Werkje, voor sommigen, te veel voldoen aan de Tijtel, tegen gewoonte […].

Read Full Post »

Dankoffer-p1-Jan le Francq van Berkheij had op 4 oktober 1774, bij de festiviteiten wegens het 200-jarig Leidens ontzet, zijn lofdicht Verheerlijkt Leyden voorgedragen. Apetrots was hij.

Zijn hoogbejaarde vriend Jan de Kruyff had hem daarna geholpen de laatste oneffenheden in de tekst weg te werken. De Kruyff had zelfs met veel meel in de mond een lofdicht voor Berkheij geschreven.

Daarna kon Berkheijs lofzang op Leiden in druk verschijnen.

Het applaus dat Berkheij ten deel viel toen Verheerlijkt Leyden in de winkel lag, bleef nagenoeg uit. Sterker zelfs, er verschenen vileine reacties, onder andere in de vorm van een Drietal verpligte dankoffers.

Cornelis van Hoogeveen Junior, de blonde organist Hermanus Coster en François Halewyn – alle drie lid van KWDAV – schreven elk een bijdrage. Berkheij werd daarna zo nijdig, dat hij het lidmaatschap van deze club opzegde.

DANKOFFER,
DEN ZEER GELEERDEN
H E E R E
J. LE FRANCQ VAN BERKHEY,
DOOR HERMANUS COSTER,
Lid van het Tael- en Dichtlievend Genootschap:
Kunst wordt door arbeid verkreegen. te Leyden;
T O E G E W IJ D.

LE FRANCQ! uw naam
Wordt door de Faam
Den snellen tijd ontdraagen,
Nu Leyden, door uw pen en mond
Verheerlijkt, in den morgenstond
Van haar’ gewijden dag, al de eeuwen zal doen waagen.

‘k Hoor Groot en Kleen,
Zelfs ’t dom Gemeen,
Gescherpt door uwe klanken,
Uw vaderlandsche kunst en moed
Tot eer van ’t Leydsche burgerbloed,
Met ongewoonen lof verheffen en bedanken.

De Hoogeschool,
Het Capitool,
’s Lands trouwe Palinuuren
Bestormen elk den bitschen Nijd
Wanneer hij aan uw letters bijt,
En zullen uwen naam in pergament doen duuren.

Hoe durf ik mij
In poëzij
Bij zo veel stemmen waagen,
Die, door ons Nederland verspreid,
U noemen met eerbiedigheid,
En door vergoode dicht uw gouden eerzuil schraagen!

Kon ik, met u
Niet grijs, maar nu,
Mijn korte blonde hairen,
Een eerkleur voor den Batavier,
Tot snaaren spinnen voor mijn lier,
Zij klonken van uw’ roem, ô Eer der Leydenaaren!

Dan, ongewoon
Aan zulk een’ toon,
En zulke hemelzangen,
Als gij der waereld hooren doet,
Zal ik, bij ’t snaartuig opgevoed,
Een vreemde en kiesche lier eerbiedig laaten hangen.

Zing, zing dan vrij;
Maar zonder mij.
Al zingend doet ge u leeven
Bij Kunst- en Stad- en Landgenoot;
Al zingend tart gij tijd en dood,
En zingend kunt ge u zelv’ de blinkenste eerkroon geeven.

Read Full Post »

De organist van de Hooglandse kerk te Leiden, Hermanus Coster, geeft in zijn Mengelpoëzy (1779) een vrolijke beschrijving van zichzelf. Een soort contactadvertentie in dichtvorm:

Mijn lengte is bijna Haerlems groot,
Mijn eigen hair is blond, niet rood.
Mijn kleur helt naar den bleeken kant,
Somtijds met sproeten wat beplant.
Mijn uitzicht heeft de tekens niet,
Van rouw, of knaaging, of verdriet.
Ik ben niet al te dik of vet;
Maar nochtans redelijk gezet.
Mijn lighaam heeft geen een gebrek
Van lammigheid of scheeven nek;
En, als ik al eens kreupel ga,
’t Is van het aadlijk Podagra.
Ik draag een Pruik, zo goed ik kan,
’t Zij met een Beurs of Cadogan;
‘k Ga met geen goud, op rok. of vest;
Doch, ziet men mij eens op mijn best,
Dan schijne ik rijk, en ’t is ook schijn,
Daar al mijn pronk prezenten zijn:
Hoewel ik in mijn grootsten zwier
Geen mode volg van Henry vier.
Opdat ik mijn Geboorte ook zegg’.
Dees was bij Alkmaersch Stienen Breg.
‘k Ben zes en dertig jaaren oud,
En, Leezeresjes! ongetrouwd;
Lid van ’t Calvynisch Christendom,
Schoon ik ook veel bij Menno’s kom.
Mijn ampt, en mijn gewoone werk
Is voor de Waereld en de Kerk;
Het een en ander geeft mij Brood,
En Boter, en een Potje Rood.
Geen nijdigheid vermagert mij;
‘k Leef vrolijk, wel te vreên, en vrij.
[…]

Coster was actief lid van Kunst Wordt Door Arbeid Verkreegen en dus dik bevriend met de Cornelis Heyligert en Cornelis van Hoogeveen Junior. Coster behoort bijgevolg tot de aartsvijanden van le Francq van Berkheij.

Niet iedereen kon de grappen van Coster waarderen. In de Vaderlandsche letter-oeffeningen staat een wat hummig oordeel over zijn Mengelpoëzy:

’t Is zeker dat de Hr. Coster bekwaamheid heeft om met een geestig puntdichtje zijn Vrienden te vermaken, en den lever somtijds te doen schudden; doch daar de meesten van diergelijke boertige stukken hunne voornaamste aartigheid van de bijzondere omstandigheden waarin zij gemaakt of te pas gebracht, en dikwijls van de stem en houding, waar mee zij opgezegd worden, ontleenen, is ’t niet wel mooglijk, dat zij bij de lezing even zeer kunnen blijven behagen. Men ziet in een vrolijk gezelschap ook wel eens een los woordtje over het hoofd, dat juist het licht niet al te wel veelen kan [..]

Read Full Post »