Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘Leiden’

Nog twee aforisme-achtige verhaaltjes uit de Gocheltas van Momus (1716). De verhaaltjes hebben veel weg van de populaire apologische spreekwoorden (zei-spreuken). Deze keer gaan de verhaaltjes over Leidse studenten.

Het eerste bevat een wijze les over het wonen op kamers. Zoek alleen gezelschap van brave borsten, adviseert pa tijdens hun zoektocht naar een geschikte kamer. Onderweg passeren ze een huis met een fraai beboezemde dame voor de deur die uitnodigend vader en zoon aankijkt. Brave borsten, merkt papa op, en concludeert dat dit het huis moet zijn waar een geschikte kamer gevonden zal worden.

Het tweede verhaaltje gaat over het aanleggen van een privé-boekerij. Een student komt een boekwinkel binnen waar een veiling gehouden wordt. Wijsneuzerig vraagt hij waar de theologanten staan. Geintje, denkt de veilingmedewerker, en zegt dat de theologanten in de collegebanken zitten.

390. Te Leyden quam een Heer wiens Zoon daar ter Studie gaan zoude, om met hem naar een Kamer te zoeken, en tot dien eynde gingen zy verscheyde straaten door wandelen. Op den weg zijnde gaf den Vader hem eenige lessen, om zig in zijn toekomende In-wooning daar naa te reguleeren. Onder anderen zeyde hy hem, Zoon gy moet quaat gezelschap vermyden. Dog om dat gy niet altoos alleen kund zijn moet gy naar Brave Borsten uyt zien, en uw daar by houden. Ondertusschen quamen zy voor by een Huys, daar een Juffer voor stond , die ‘er heel gezond uyt zag. Vader zeyde den nieuwen Student, Die Juffer heeft Brave Borsten, laat ons vraagen of zy ook een Kamer te Huur heeft.

391. Een ander Student quam te Leyden in een Boek-winkel stuyven, daar een Auctie stond gehouden te worden, waar van de Boeken vast door de Lief-hebbers bekeeken wierden, en vroeg heel winderig. Waar zijn de ongebonden Theologanten. En een ander antwoorden. In uw Collegie.

Advertenties

Read Full Post »

Leydse courant 9 december 1805

Dat grauw papier als verpakkingsmateriaal diende, is algemeen bekend. Op zoek naar nieuwe gegevens over grauw papier trof ik bovenstaande aankondiging aan.

Een luguber verhaal.

Over een babylijkje dat kennelijk aan een snijzaal is ontvreemd en – in grauw papier gewikkeld – in de Stink- of Jodensteeg te Leiden op straat was achtergelaten. Het hoofdje was eraf gesneden. De buik lag open maar de ingewanden waren eruit gehaald.

Een grap? Een voorbeeld van joden pesten?

Hoe dan ook moet de vondst bijzonder schokkend zijn geweest. Ook in 1805 vond men dat degene die het lijkje bij de synagoge had neergelegd, alle regels van fatsoen had overschreden. Er werd dan ook een hoge beloning uitgeloofd ‘aan dien of die genen, welke den dader of de daders van he voorsz. bedrijf weet aan te wijzen.’ De naam van de tipgever zal anoniem blijven.

De Stinksteeg schijnt tegenwoordig de Arend Roelandsteeg (foto) te heten (‘vermoedelijk’, schrijft Kees Walle), maar een kaartje uit 1600 laat zien dat het onwelriekende steegje van het Steenschuur liep naar de huidige Garenmarkt. De eerste joodse immigranten hadden zich daar gevestigd en lieten er hun synagoge bouwen.

Het was een donker straatje, waar al vroeg in de zeventiende eeuw dingen gebeurden die het daglicht niet konden velen. William Brewster had er op een zolder een drukpers staan waar hij van en voor de Pelgrim Fathers pamfletten en geschriften drukte. Citaat:

De ambassadeur van Engeland eiste in 1619 zijn in hechtenisneming omdat de teksten tegen de koning van Engeland en de Staatskerk waren gericht. De Academische Vierschaar gaf daaraan gevolg.
William Brewster wist op slimme wijze de dans te ontspringen, maar de drukkerij werd wel gesloten.

Read Full Post »

Eerlijk gezegd begrijp ik die Vergeefsche dichtluim van Coster niet erg. Wiens huis en wiens bacchanaal wordt hier beschreven? Of is het slechts om een vergelijkingsmogelijkheid te geven: de dichter uit Leiden, waarover de meid spreekt, ‘zo groot van naam, als deugd en eer’ is immers net zo. Behalve dan dat-ie geen negen vrouwen erop na mag houden.

Uit het volgende fragment wordt duidelijk dat er met Le Francq van Berkhey de draak wordt gestoken. De losbandigheid van deze bulderbast is bekend: hij woont samen in concubinaat. Daarom weet iedereen dat-ie wel een borreltje lust en uiteraard zijn Hestertje mept.

Lees verder het vervolg:

‘k Had niet in ’t zin om haar te ontstellen,
Dan, onder ’t leege fleschen tellen
Viel vijf of zes douzijn aan gruis,
En dit gaf zulk een vreemd gedruisch
Dat ik de Meid zag wakker schrikken.
Wat raad in raadlooze ogenblikken!
Ik vroeg verschooning aan een Meid;
Die mij terstond wierd toegezeid
Zoo dra ‘k beloofde twee ducaaten,
En, als ze wat met mij wou praaten,
Beloofde ik op mijn woord nog een.
Wij werden spoedig dan gemeen.
Dus was het ras mijn tijd, te weeten
Waar toe dat drinken en dat eeten, [7]
En al dien omslag was geschied.
De Meid verborg haar kalzucht niet.
Zij sprak: mijn Heer, die van zijn zaken
Zijn werk somtijd te veel wil maaken,
Heeft gisteren een brief gehad
Uit … uit … ik weet niet uit wat stad.
Laat zien … ’t is daar zij wol bereiden …
Atheene… Leeuw… neen! Ley… ja, Leyden.
Daar woont een Dichter als mijn Heer,
Zo groot van naam, als deugd en eer,
Behalven dat hij ’t niet mag houên
Gelijk mijn Heer, met negen Vrouwen;
Die man had vreeselijk geschreid,
En traanen voor een Graf bereid
Van d’een of andren Krantenschrijver,
Met zo veel drift en vuur en ijver,
Dat heel de Stad was aangedaan.
De Juffers moesten binnen staan, [8]
En hooren deeze traanen leezen,
En hoe den Maaker werd gepreezen
Om ’t ortodoxe sentiment,
Nog nimmer bij mijn Heer bekent.

Read Full Post »

P.P. Rubens, Bachanaal

Manus Coster droomt in de Vergeefsche dichtluim dat hij het huis van Apollo betreedt. De voordeur staat wijd open. Stilletjes loopt hij naar binnen. Het ‘klein Salet’ is op slot en voor het grote staat een een waterpot, vol gekotst. Op de vloer liggen vuile doeken en acht of negen vrouwenbroeken:

Besmult met rood’ of rinschen wijn.
Van negen was geen één gordijn
Der Maagdenbedden toegeschooven;
Hier lag een been, daar armen boven,
Gindsch weer wat anders, och hoe veel!
Althans dit heilige bordeel
Deed mij zeer klaar en morsig weeten,
Dat elk, bestooven, had vergeeten
Dat Helicon nog open stond,
Waar op ik ieder slapend vond.
Het past geen gunsteling te zeggen,
Waar hij zijn Meester heeft zien leggen [5]
Bij de eene of andre mooije Snol,
Des zeg ik niets van onz’ Apol.
Ik ging van daar heel zagtjes strijken,
Om ook de Keuken te bekijken;
Maar daar was ’t beter niet gesteld:
De Kat had onder haar geweld
Een schotel met gebraade Duiven,
Waar aan zij lustig zat te kluiven,
Terwijl de Hond het hieltje nam,
En ’t overschot van Haas en Ham.
De vloer was als bezaait met pannen,
Compotten, schotels, borden, kannen,
Zoo dat ik, zonder vreemde pas,
Niet spoedig aan den regbank was.
Dat graf van zo veel glazen lijken,
Wilde ik eens van nabij bekijken
En tellen …. maar och, welk een schrik,
Beving mij op dat ogenblik; [6]
‘k Zag in ’t verschiet een hoop met kurken
Daar iemand agter lag te snurken;
Hier sliep de moede Keukenmeid,
Maar in een schuldlooze eerbaarheid.

Welk bachanaal heeft zich hier afgespeeld? De hond en de kat doen zich tegoed aan de etensresten en de keukenmeid ligt achter een hoop kurken te snurken…

Read Full Post »

De Vergeefsche dichtluim van Hermanus Coster is voor achttiende-eeuwse begrippen behoorlijk pikant. Hij droomt dat-ie het huis van Apollo betreedt. Daar treft hij een ondergekotste pispot aan. In het kleinste kamertje, op slot maar door een kier wel te begluren, liggen vieze doeken en ‘agt of negen vrouwen broeken, besmult met rood’ of rinschen wijn.’

Het pamfletje telt 12 pagina’s in-8. De tekst begint op p. 3 (morgen meer):

Ik ben weer, met een stouten geest,
Aan ’t huis van God Apol geweest;
Maar door welk middel, welke wegen,
Legt niemand heden aan geleegen.
En alles wat ik zeggen mag
Is, dat het was op saturdag.
Heel vroeg de groote lui te plaagen,
Met eene of andre gunst te vraagen,
Is niet welleevend, dus niet vroeg,
En deftig uitgedoscht genoeg,
Verscheen ik voor Apollo’s woning.
Ei luistert dan, door wat vertooning
Ik zelv vergat waarom ik kwam,
En wonderheden daar vernam.
De groote voordeur stond wijd open,
En gaf mij vrijheid in te loopen;
Het klein Salet was nog op slot,
Bij ’t groote stond een waterpot. [4]
Tot aan den rand toe vol gespoogen,
Door Bacchus onbepaald vermoogen.
In ’t zoet genot van zulk een geur,
Zag ik, door ’t kiertje van de deur,
Den vloer bezaait met vuile doeken,
En agt of negen vrouwen broeken,
Besmult met rood’ of rinschen wijn.

Read Full Post »

Blonde Manus schreef in zijn Mengelpoezij (1779) het volgende over de betekenis van de puntjes:

‘k Gaf aan mijn’ Drukker last, een plaats hier leeg te laaten,
Wijl ‘k zo veel Vrienden heb, die meest Poëten zijn;
Opdat men van mijn’ lof en grootheid wat mogt praaten,
Terwijl ik met mijn Werk in ’t openbaar verschijn.
Dan, ‘k heb geen regeltje van hunne gunst ontvangen,
Hoe ingewikkeld ik, met moeite, heb gezocht
Naar zulk een Dichters Bul van vriendelijke Zangen,
Die, had ik gelds genoeg, gewillig was gekogt.
Daar elke plaats mij laat, moet ik dan zelve zingen
Van mijn’ verheven geest, en grootheid, en verstand?
Geliefde Vleierij! beminde Beuzelingen!
Blijft deze ruimte leêg? . . . . .  ondankbaar Vaderland!

Wat in deze blog niet te realiseren valt: het laatste uitroepteken is twee regels hoog. Ook een sterniaans grapje.

Read Full Post »

Sterniaanse grappen (2)

Hermanus Coster had in het voorwerk van zijn Mengelpoëzij (1779) de draak gestoken met de traditie om drempeldichten te plaatsen voorin een bundel. Hij had drie pagina’s gevuld met de titels van dergelijke lofdichten. Voor de rest had hij die pagina’s wit gelaten, of met sterniaanse puntjes en streepjes gevuld.

Verder had hij in de bundel ook gelegenheidsgedichten opgenomen (kennelijk geen usance) en de traditionele inhoudsopgave weggelaten.

De schrijver van den Verbeterde tijtel maakt zich hier erg vrolijk over door,

na zijn nodig voorbericht, (I.) te geeven een’ verbet. Tijt. waarop hij de onderscheiden zoorten van zangen, die deeze Mengelpoëzij bevat, opgeeft. (II.) Door eene spottende berijmde verklaaring van den Tijtelplaat. (III.) Door eenige Zangen, dat nu quasie de ontvangen Lofvaerzen zullen zijn, ter vervulling der opengelaaten Bladzijden medetedeelen. en (IV.) Door eenen Bladwijzer met nodige ophelderingen verrijkt, deezen arbeid te besluiten.

Aldus de kritische toelichting van de Nederduitsche dicht-en tooneelkundige bibliotheek (1781).

Overigens verscheen in 1779 als reactie op de reacties – er was behalve de Verbeterde tijtel ook nog sprake van een venijnige Poëtische brief aen den heere Hermanus Coster – een uitgave met de campistische titel

Oog in ’t Zeil, aan de Heeren Schryvers der Nederduitsche Dicht- en Tooneelkundige Bibliotheek, zynde eene nadere Beöordeeling der Mengel-poezy van den Heer H. Coster, benevens de Verbeterde Tyrel en Poetische Brief, nu Boertig dan Ernstig, dog Dichtkundig behandeld.

Aldus de advertenties in de Leydse Courant (vanaf 29-11-1779). Niet in de STCN, wel in het RAL. Het werk is volgens Berkheij van Gerrit Brender à Brandis, degene die ook de Sterniaanse geschreven zou hebben.

Read Full Post »

Older Posts »