Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘streekgeschiedenis’

Leydse courant 9 december 1805

Dat grauw papier als verpakkingsmateriaal diende, is algemeen bekend. Op zoek naar nieuwe gegevens over grauw papier trof ik bovenstaande aankondiging aan.

Een luguber verhaal.

Over een babylijkje dat kennelijk aan een snijzaal is ontvreemd en – in grauw papier gewikkeld – in de Stink- of Jodensteeg te Leiden op straat was achtergelaten. Het hoofdje was eraf gesneden. De buik lag open maar de ingewanden waren eruit gehaald.

Een grap? Een voorbeeld van joden pesten?

Hoe dan ook moet de vondst bijzonder schokkend zijn geweest. Ook in 1805 vond men dat degene die het lijkje bij de synagoge had neergelegd, alle regels van fatsoen had overschreden. Er werd dan ook een hoge beloning uitgeloofd ‘aan dien of die genen, welke den dader of de daders van he voorsz. bedrijf weet aan te wijzen.’ De naam van de tipgever zal anoniem blijven.

De Stinksteeg schijnt tegenwoordig de Arend Roelandsteeg (foto) te heten (‘vermoedelijk’, schrijft Kees Walle), maar een kaartje uit 1600 laat zien dat het onwelriekende steegje van het Steenschuur liep naar de huidige Garenmarkt. De eerste joodse immigranten hadden zich daar gevestigd en lieten er hun synagoge bouwen.

Het was een donker straatje, waar al vroeg in de zeventiende eeuw dingen gebeurden die het daglicht niet konden velen. William Brewster had er op een zolder een drukpers staan waar hij van en voor de Pelgrim Fathers pamfletten en geschriften drukte. Citaat:

De ambassadeur van Engeland eiste in 1619 zijn in hechtenisneming omdat de teksten tegen de koning van Engeland en de Staatskerk waren gericht. De Academische Vierschaar gaf daaraan gevolg.
William Brewster wist op slimme wijze de dans te ontspringen, maar de drukkerij werd wel gesloten.

Read Full Post »

Advertentie Leydse courant 19 juli 1741

Aan de Delftse Trekvaart, in de Plaspoelpolder, stond in 1741 ook een papiermolen. Net als de Zoeterwoudse molen was het een achtkante molen. Met woonhuis, werkhuis en een hangschuur werd-ie in 1741 te koop gezet.

De Rijswijkse papiermolen dateert uit 1634, getuige een erfpachtsbrief ten behoeve van ene Jan Hendriksz de Ridder. De molen was een stellingmolen en ging tussen 1870 en 1880 door de sloophamer tegen de vlakte, aldus de molendatabase.

In de Rijswijkse molen werd overigens grauw, extra paars en blauw papier vervaardigd. Dat was wegens het verontreinigde polderwater, zou je zo denken. Inmiddels weet ik dat er rond papiermolens vijverlanden werden aangelegd, die als een soort waterzuiveringsinstallatie fungeerden.

De molenaar had voor de fabricage van wit papier ongeveer 100 liter schoon water per kilo papier nodig. Petmolens (of putmolens) pompten daarvoor het water van grote dieptes op waarna het in een stelsel van gegraven sloten (de vijvers) werd geleid. Het vuil kon daarin langzaam bezinken. Om de laatste verontreinigingen uit het water te halen, werd het vlakbij de papiermolen nog gefilterd in een bak met zand en door een filter van vilten dekens gehaald. (Tekst gekopieerd van het Glossarium Nederlands Landschap)

Laurens Oomheyn, Papiermolen De Oude Voorn, Wormerveer (ca 1730)

De roeier van bovenstaand schilderij roeit in de vijverlanden van een Wormerveerse papiermolen (leuk hondje). Op de achtergrond is de papiermolen te zien, met een enorme luchtige (!) hangschuur. Of de Plaspoelpolder ook was omgeschoffeld tot vijverlanden met langgerekte parallel aan elkaar lopende sloten, is onbekend.

Read Full Post »

Advertentie Leydse courant 1 maart 1813

Onder de rook van Leiden, aan de Vrouwenweg, op het grondgebied van Zoeterwoude, stond de papiermolen Delftzigt. Lees hier het treurige verhaal over de teloorgang van deze papiermolen.

Op de website van Oud Soeterwoude las ik het volgende over de molen, die aanvankelijk de Leidsche molen werd genoemd:

  • 1645 – de molen wordt gebouwd als lakenvolmolen.
  • 1675 – de eigenaar gaat failliet.
  • 1676 – de nieuwe eigenaar gaat de molen gebruiken om wit papier te fabriceren.
  • 1736 – de molen wordt omgedoopt tot Delftzigt. De molenaar stapt over van de fabricage van wit papier op het maken van grauw papier.
  • 1773 – de molen produceert nu bord- en tabakspapier.
  • 1840 – een papierfabrikant uit Waddinxveen koopt de molen om hem af te breken.
  • 1846 – de papiermolen wordt gesloopt.

Conclusie: eind 17e eeuw is het polderwater nog schoon genoeg om wit papier te fabriceren. Maar in 1736 is het al zo vervuild dat de molenaar moet overstappen op inferieur grauw papier.

Aan advertenties in de Leydse courant kun je zien dat het bedrijf bepaald niet van vader op zoon overging. En dat de papierfabriek minder lucratief was dan bovenstaande advertentie wil doen geloven. Op grond van de krantenadvertenties kunnen we het lijstje jaartallen uitbreiden. Er is overigens in de Republiek geen papiermolen die zo vaak in de 18e eeuw van de hand wordt  gedaan.

In 1735 wordt de molen – die nog geen naam draagt – geveild. De ‘Papiermaakerye’ heeft ‘veele Jaaren met veel Succes’ gedraaid. Uit bovenstaand lijstje weten we dat het een verkooppraatje is en dat er waarschijnlijk geen wit papier meer geproduceerd kan worden.

Advertentie Leydse courant 26 december 1735

De ‘hegte en sterke’ molen Delftzigt wordt in 1749 opnieuw te koop aangeboden:

Advertentie Leydse courant 19 februari 1749

Het loopt geen storm want op 12 maart 1749 moet er opnieuw worden geadverteerd. In mei 1761 wordt de ‘hegte, sterke, en zeer wel beklante’ molen opnieuw verkocht:

Advertentie Leydse courant 18 mei 1761

In oktober 1782 wordt de ‘extra wel beklante’ molen met woning, boomgaard, moestuin en loodsen publiek geveild.

Advertentie Leydse courant 23 september 1782

Twintig jaar later, in 1802, blijkt het molenaarshuis niet meer bewoond. Het wordt in november 1802 te huur aangeboden. Lees hier hoe het woonhuis er uitzag:

Advertentie Leydse courant 22 november 1802

Op 8 maart 1813 wordt de molen geveild (zie advertentie bovenaan). De nieuwe eigenaar besluit reeds het jaar daarna  de ‘fabrijk’ weer van de hand te doen. Het waren toen sombere economische tijden. De wereld vlamde op van de oorlogen, en Nederland was nagenoeg failliet. Delftzigt leverde te weinig op.

Advertentie Leydse courant 18 april 1814

Read Full Post »

Gelezen in de Leydse courant van 1 maart 1758:

Madame Eugenia Mellini was destijds een gevierd zangeres. Ze had in 1750 in de operatroep van Giovanni Francesco Crosa gezongen en was daarna in Amsterdam blijven hangen (zie website Rudolf Rasch).

Het Amsterdamse uitgaanspubliek werd in de jaren zestig verwend met haar ‘Winterconcerten’. Die hield ze kennelijk ook in Leiden, in een of andere concertzaal op de Papengracht. Muziekliefhebbers konden zelfs een abonnement nemen.

Read Full Post »

Eind 18e eeuw / begin 19e eeuw worden de familieberichten in de krant steeds uitgebreider en steeds persoonlijker. In de Provinciale Groninger courant van 1 juli 1814 staan een paar droevige rouwadvertenties. Opvallend is de Sturm und Drang-toon.

Fenje Tjapkes Hopman, weduwe van Berent Klaassens Buurma, geeft blijk van haar grenzeloze liefde voor haar zojuist overleden echtgenoot. Ze was op de kop af 2 jaar, 10 maanden en 2 dagen met hem getrouwd geweest. De dood heeft hem uit haar liefdesarmen weggerukt.

Hij was 41 jaar. De heren Brill uit Delden en Van Essen uit Groningen waren overigens ook niet erg oud toen ze het leven lieten.

Slechts 41 jaar dus.

Zes dagen in bed en daar ging boer Berent Klaassens Buurma. Vrouw en kind achterlatend.

Hoe hard deze slag voor Fenje was, ‘kan een ieder die dit bij ondervinding weet, regt beseffen.’ Maar lang treuren was er toen niet bij. Op 10 juli 1816 trouwde ze opnieuw, met boer Roelf Jacobs Buiskool van boerderij de Woldsslenken, onder Woldendorp. Ze overleed op 2 maart 1844 op 63-jarige leeftijd.

Read Full Post »

Als een naaste familielid niet deugde – je zoon of echtgenoot bijvoorbeeld als die flink aan de drank was – kon je een verzoek indienen om hem of haar te doen opsluiten. In een verbeterhuis. Een soort blijfvanmijnlijf-huis maar dan voor de boosdoener. Ook konden families hier geesteszieke verwanten een tijdje laten opbergen.

Een van de oudste verbeterhuizen in Holland bevond zich in Kouderkerk, ruim een uur gaans van Leiden. Het bestond al in de 17e eeuw. Het was in particuliere handen en werd van tijd tot tijd te koop gezet. Zo ook in de Leydse courant van 12 mei 1734:

Uit de advertenties blijkt echter dat het Kouderkerkse verbeterhuis Overryn  in de 18e eeuw concurrentie kreeg van een tweede verbeterhuis aan de overkant van de Rijn. Huize Overrijn lag aan de Lage Rijndijk (dat blijkt straks) en Huize Nieuwenburg aan de Hoge Rijndijk. Feitelijk in Hazerswoude. Uit onderstaande advertentie uit de Leydse courant van 3 april 1737 blijkt dat Nieuwenburg zojuist is gebouwd, of gerenoveerd:

De kastelein van Nieuwenburg is Anthony van Luynen, niet te verwarren met zijn neef met diezelfde naam, die later het beheer van het verbeterhuis op zich neemt. Deze oude Van Luynen werd in 1764 beschuldigd van onregelmatigheden. Bovendien sloeg hij zijn vrouw. Hij vloekte, schold en ging zich te buiten aan de sterke drank. Zijn vrouw vroeg daarop een scheiding aan.

Op 29 juli 1768 was Huize Overrijn – of: Over-Rhyn zoals het hier wordt genoemd – opnieuw in de verkoop:

In 1771 blijkt dat verbeterhuis Nieuwenburg geveild werd. In Amsterdam dit keer (Leydse courant van 27 maart 1771):

Op 15 mei 1775 zocht de neef van de zojuist overleden kastelein Anthony van Luynen nieuwe gegadigden ‘in het Confineeren van Mans- en Vrouwspersoonen’. Hij had duidelijk gebrek aan klandizie en hoopte met de advertentie nieuwe deugnieten ter verbetering te kunnen opbergen. Duur was hij niet want het ‘confineeren’ ging ‘voor zeer civiele Pryzen’:Deze neef, Anthony van Luynen, liet tegelijkertijd in het verbeterhuis Nieuwenburg de boedel van zijn oom veilen. Kennelijk kon de locatie ook worden gebruikt voor publieke veilingen. Zie hier de advertentie van, opnieuw, 15 mei 1775:

Van de twee verbeterhuizen aan weerszijden van de Rijn was Nieuwenburg het meest populair bij Leidse families. In 1806 werd Nieuwenburg een instituut voor jonge heren.

Read Full Post »

Een akelig opsporingsbericht in de Leydse courant van 2 juli 1753: de Gelderse Petronella Damme wordt gezocht omdat ze haar zojuist geboren kind heeft vermoord.

Petronella was lang, mager en bleek van gezicht. Ze werkte als dienstmeid in de heerlijkheid Hazerswoude. Ze was natuurlijk niet getrouwd en moet zich geen raad hebben geweten toen ze ontdekte dat ze zwanger was. Uiteindelijk heeft ze de boreling met een band om de keel gewurgd.

De wanhoop nabij moet ze haar daad aan verschillende dorpelingen hebben opgebiecht. Ook de naam van de vader van het kind had ze aan hen toevertrouwd. Dat was Jan Hoingh (waarschijnlijk: Honingh), die als knecht voor dezelfde baas had gediend. Hij zou Petronella tot de moord hebben aangezet.

Er werd honderdvijftig gulden tipgeld uitgeloofd voor wie Petronella aanbracht. Naar Jan Honingh werd blijkbaar niet gezocht.

Zielig hè?

Read Full Post »